Er zit een vreemd soort geruststelling in tegenwind.
Misschien omdat ik weet dat hij niet eeuwig blijft duren.
Vanmorgen stapte ik om half zeven op de fiets. De lucht hing laag boven Brabant. De zon deed haar best om door het wolkendek heen te breken, maar verloor voorlopig nog. Het was fris. Stil. Alleen de wind liet meteen weten dat hij vandaag de eerste uren de baas zou zijn.
Prima.
Dat hoort erbij.
Sterker nog, ik zoek het vaak bewust op.
Als de wind 's ochtends vol in mijn gezicht staat, weet ik dat hij me later weer naar huis brengt.
Terwijl de meeste mensen hun eerste kop koffie drinken, glijd ik al door dorpen die langzaam wakker worden. Rolluiken gaan omhoog. Een bakker zet zijn stoepbord buiten. Hier en daar steekt iemand een hand op. Hun dag begint. Die van mij is al uren onderweg.
Na een kilometer of negentig komt altijd hetzelfde moment.
Geen bord.
Geen monument.
Geen finish.
Gewoon een bocht.
De bocht waarop je voelt dat de dag verandert.
Vanaf daar draait de wind. Niet alleen letterlijk, maar ook in je hoofd. Het zware werk zit erop. De benen draaien vanzelf. Het landschap lijkt lichter. Je kijkt vaker om je heen dan op je fietscomputer.
Dat is het moment waarvoor ik eigenlijk ben vertrokken.
Niet de bestemming.
Niet de afstand.
Maar dat gevoel.
De dijken beginnen te slingeren. De populieren ritselen boven het asfalt. Hun bladeren fluisteren in de wind terwijl de schaduwen over de weg dansen. Ik steek een rivier over met een pontje. In een klein dorp stap ik af voor een broodje van de bakker. Nergens hoef ik te zijn. Toch voelt het alsof ik precies ben waar ik moet zijn.
De zon heeft inmiddels gewonnen.
Alsof ze wist dat het tijd was.
Een paar uur later draai ik mijn straat weer in.
De fiets komt stil te staan op precies dezelfde plek waar hij vanmorgen vertrok.
Er is niets veranderd.
En toch voelt alles anders.
Misschien is dat wat een lange rit uiteindelijk doet.
Je ontdekt niet zozeer nieuwe plekken.
Je kijkt met nieuwe ogen naar de wereld die er al die tijd al was.